Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud
Het onderzoek ‘De Wijkagent Centraal’ is het resultaat van zes jaar actieve participatie in de werkpraktijk van de wijkagent. Deze tijdspanne beslaat drie periodes, waarin de auteurs telkens vanuit een andere rol werkten. Eerst als kritische buitenstaander tijdens het Juxta-programma, vervolgens als uitvoerende projectleider tijdens de implementatie van de prominentenmethodiek en tenslotte als coachende insider tijdens een actieonderzoek naar het handelen van de wijkagent.

De eerste periode betrof het zogenoemde Juxta-programma; een anderhalf jaar durend Amsterdams traject waarin jonge academici werd gevraagd om met een kritische blik naar het politiewerk te kijken. Auteur Teun Meurs richtte zich binnen dit traject op de vraag hoe de informatie van de wijkagent beter benut kon worden in het korps. Als resultaat hield Meurs een pleidooi voor meer focus binnen gebiedsgebonden politiewerk en introduceerde hij middels de ‘prominent’ een doelgroepterm voor de wijkagent. Vervolgens ontwikkelde hij de prominentenmethodiek om de koerswijziging in het korps te realiseren.

De tweede periode bestond uit de korpsbrede implementatie van de prominentenmethodiek, waarin beide auteurs ruim 50 wijkagenten vergezelden tijdens een rondgang door hun buurt om de lokale prominenten te benoemen. Daarnaast spraken zij team- en districtschefs om de nieuwe werkwijze te introduceren en organiseerden zij tientallen collectieve sessies rondom de buurtproblemen op de basisteams. In deze fase fungeerden de auteurs als uitvoerende projectleiders en kregen zij een ongepolijst beeld van de wijze waarop de wijkagenten in de basisteams opereerden.

De derde periode werd een actieonderzoek, waarin de focus lag op het handelen van zeven wijkagenten binnen evenzoveel complexe prominenten die door de wijkagenten in samenspraak met de onderzoekers werden geïdentificeerd. Door deze opzet vond het leeuwendeel van het onderzoek plaats tijdens de dagdagelijkse werkzaamheden van de wijkagent. Hierdoor kregen de onderzoekers direct zicht op het handelen van de wijkagenten onder invloed van verschillende (f)actoren, zoals de persoonlijke professionaliteit, de organisatie, de partners en de burgers.


In het verloop van de drie periodes is een duidelijke lijn te ontdekken van theorie naar praktijk. De eerste periode richtte zich op het niveau van community policing als politiefilosofie en de wijkagent als exponent daarvan. Uit de tweede periode ontstond een realistisch beeld van de manier waarop de politieorganisatie zich verhoudt tot de wijkagent en zijn lokale thema’s. De derde periode tenslotte, zoomde in op de praktijk van het handelen van de wijkagent en leverde de casuïstiek die in deze publicatie zo prominent aanwezig is. In deze fase kregen de onderzoekers grip op de taaie materie rondom de invulling van het uitgangspunt ‘De Wijkagent Centraal’.

Een omschrijving van de wijze waarop de eerste twee periodes uitmondden in de derde periode is te vinden in het onderdeel ‘Aanleiding en overview’.

Dit hoofdstuk richt zich op de laatste fase van het hierboven beschreven traject. Het begint met een omschrijving van de gehanteerde methode van action research en de wijze waarop deze verschilt van traditionele vormen van onderzoek. Vervolgens omschrijven we hoe deze uitgangspunten zijn toegepast binnen het huidige onderzoek en uitmonden in drie vormen van meelopen in de politiepraktijk. Hierna omschrijven we het methodisch kader en tot slot besteden we aandacht aan de waarde die casusgericht actieonderzoek kan hebben voor het verbeteren van de politiepraktijk.

Actieonderzoek: focus op het handelen

action research is een bijzondere vorm van onderzoek, waarvan het belangrijkste kenmerk in de naam besloten ligt. De focus ligt op de actie; op het handelen van participanten in de praktijk van alledag. De voornaamste reden hiervoor is dat actieonderzoekers van mening zijn dat de werkelijke kennis van professionals tot uiting komt in het praktisch handelen en niet in de (mondelinge of schriftelijke) beschrijving daarvan. Om deze focus op het handelen mogelijk te maken, verandert de rol van zowel de onderzoeker als de onderzochte. Ten eerste wordt de gebruikelijke gedachte van een onzichtbare, slechts waarnemende onderzoeker verlaten. De onderzoeker speelt juist een participerende, zelfs interveniërende rol, doordat hij met de onderzochte aan het werk gaat binnen de alledaagse praktijk. Hiermee verandert tevens de rol van de onderzochte. Deze gaat samen met de onderzoeker op zoek naar een aantal cruciale thema’s in zijn werkveld en wordt uitgedaagd om op zijn handelen te reflecteren. De onderzochte levert dus niet alleen de ‘ruwe data’ (zoals bij vragenlijstonderzoek of een interview), maar heeft ook een rol bij de duiding en zelfs bij de vorming van de conclusies.

Vanwege bovenstaande uitgangspunten is action research niet onomstreden. Dit wordt veroorzaakt doordat de methode lijkt te tornen aan het wetenschappelijke principe van ‘objectiviteit’. De interactieve methode in het dynamische werkveld van professionals lijkt namelijk in niets op het gecontroleerde experiment in de stabiele omgeving van het laboratorium of de universiteit. De keuze voor reële situatie boven gecontroleerde simulatie heeft er dan ook lang voor gezorgd dat action research in de academische wereld werd afgedaan als onwetenschappelijk. Inmiddels is de methode echter bezig met een comeback en wordt zij meer en meer waarde geschat als waardevolle, praktijkgerichte vorm van wetenschap.

Op het gebied van een ander erkend wetenschappelijk principe denken actieonderzoekers juist een stapje voor te hebben op traditionele onderzoekers. Zij zijn van mening dat controle en stabiliteit binnen een experiment leiden tot minder ‘validiteit’ van een onderzoek. Menselijk gedrag vindt in het echte leven plaats in een onvoorspelbare context en actieonderzoekers pleiten er daarom voor om omgevingsfactoren juist te koesteren in plaats van te reduceren tot ruis. In de woorden van Boog en consorten: ‘Persoonlijke factoren worden vanuit een traditionele onderzoeksbenadering als storend en contaminerend gezien, maar zijn voor het uitvoeren van een handelingsonderzoek juist constitutief’ (170). Deze factoren komen terug in het handelen in de praktijk van participanten en dit vormt daardoor een meer valide onderzoeksbron dan de geschreven of gesproken weerslag ervan in bijvoorbeeld vragenlijstonderzoek.


Op het gebied van objectiviteit hebben actieonderzoekers een weerwoord tegen de kritiek dat hun bevindingen niet algemeen geldend zouden zijn. Hierbij zoeken hun heil bij een bijzondere vorm van intersubjectiviteit. De bevindingen van een actieonderzoek moeten expliciet op geldigheid worden getoetst bij de onderzochte. Pas als de onderzochte zich niet alleen herkent in het geschetste beeld, maar dit ook heeft geadopteerd in zijn handelingsrepertoire, dan is er voor de actieonderzoeker sprake van objectiviteit. Een dergelijke zoektocht naar consensus is in traditionele vormen van wetenschap ondenkbaar, vanwege de hiërarchie tussen onderzoeker en onderzochte en de verschillende velden waarin beide actief zijn.

Kortom, action research verschilt door zijn pragmatische, democratische en interactieve methode van traditionele vormen van (sociale) wetenschap. Het betekent vooral een bredere opvatting van wetenschap als combinatie van onderzoek, participatie en actie, waardoor de eisen aan de conclusies ook veranderen. Het is niet langer voldoende als conclusies louter wetenschappelijk gezien interessant zijn; ze moeten ook een zichtbare meerwaarde hebben voor de werkpraktijk van de onderzochte. Hiermee zal action research altijd een vreemde eend in de wetenschappelijke bijt blijven, maar ook een variant die door haar praktische focus uitermate geschikt is voor de politiepraktijk. Dit komt niet alleen door haar focus op operationele thema’s in het dagelijks werk van dienders, maar ook doordat veel kennis van politieagenten zich pas toont als zij binnen deze thema’s handelend optreden.

De grote mate van stilzwijgende kennis in het handelen van de wijkagent staat centraal in het hoofdstuk ‘het vakmanschap van de wijkagent’.

Prominenten: focus op problemen

‘Handelingsonderzoek is gericht op het helpen oplossen van problemen’, schrijven Ben Boog en collega's in een overzichtswerk omtrent action research. Actieonderzoekers kijken dus niet naar willekeurige acties op een toevallige werkdag, maar naar betekenisvol handelen binnen urgente kwesties of operationele issues. Vaak zijn deze grotere thema’s aan het begin van het onderzoek nog diffuus en liggen ze verborgen in het handelen. Het blootleggen en benoemen van deze thema’s is volgens actieonderzoekers dan ook een vast en gezamenlijk onderdeel van het onderzoeksproces. Dit gedeelte is een intensieve bezigheid, omdat onderzoeker en onderzochte vaak met een schone lei beginnen. De onderzoeker moet zich eerst het werkveld eigen maken en daarna met de onderzochte op zoek naar een afgebakend vraagstuk dat geschikt is als werkbare eenheid om invloed op uit te oefenen. Daarna start pas de fase van het reflectief handelen binnen de problematiek en de aanpassing van de gangbare praktijk.

Harry Coenen, een autoriteit op het gebied van action research, introduceerde een invloedrijke variant, genaamd exemplarisch handelingsonderzoek, bestaande uit drie fasen. In de eerste thematische fase weet de onderzoeker nog niets van de werkpraktijk en luistert hij vooral naar de onderzochte om een indruk te krijgen van de materie. Aan het eind van deze fase benoemen zij samen een aantal cruciale thema’s dat zich leent voor verdere uitwerking. In de tweede, kristallisatiefase maken onderzoeker en onderzochte een analyse van een of meerdere thema’s en vormen ze een plan van aanpak om een verandering teweeg te brengen. De derde, exemplarische fase is deze praktijkverandering. De onderzochte onderneemt activiteiten om het thema of probleem aan te pakken en reflecteert met de onderzoeker over de betekenis van deze handelingen. Coenen noemt deze fase exemplarisch omdat het hier voorbeeldig handelen betreft. Dit geldt zowel voor de praktijk van de onderzochte, die zijn handelen in perspectief ziet en kan vertalen naar andere casussen in dezelfde werkpraktijk. Maar het geldt volgens Coenen ook voor andere werkpraktijken: de betekenis van het handelen in deze fase is generaliseerbaar en dus van wetenschappelijke waarde.


Voor het huidige traject geldt dat het Juxta-programma en het implementatietraject prominenten voorafgaand aan het actieonderzoek reeds hadden gezorgd voor een gezamenlijke voedingsbodem. De onderzoekers bezaten reeds ruime kennis van de werkpraktijk van de wijkagent en wisten in sommige gevallen zelfs al van de lokale veiligheidsproblematiek. Bovendien bood de term ‘prominent’ de benodigde werkbare eenheid om het handelen van wijkagenten te onderzoeken en real life problems op te lossen. Dit betekende dat de stap naar het onderzoekend handelen van en met de wijkagenten relatief snel gemaakt kon worden.

Toch schuilde in de mate van voorkennis ook een gevaar voor de actieonderzoekers. Ten eerste liepen zij het risico om voorbij te gaan aan de kenmerken van het specifieke werkgebied en ten tweede bestond er een kans op vooringenomen oordelen over het handelen of de oplossingsrichting van de gekozen problematiek. Om dit te voorkomen begon elk traject met het meelopen met als doel het vaststellen van de belangrijkste problemen in het gebied. Bovendien werd vervolgens elke analyse getoetst met de opvattingen van de onderzochte, zodat pas bij wederzijdse overeenstemming een vervolgstap werd genomen.

De Wijkagent Centraal: drie vormen van meelopen

Het doen van actieonderzoek betekent in de praktijk dat een onderzoeker de onderzochte vergezelt tijdens zijn werkzaamheden. In de werkpraktijk van de wijkagent is dit een gezamenlijke wandeling, fietstocht of autorit door het gebied, afgewisseld met het bezoeken van burgers of partners voor gezamenlijke actie of overleg. Naarmate het actieonderzoek vorderde, veranderde de aard van het meelopen, met betrekking tot het onderwerp van gesprek; de rolverdeling tussen onderzoeker en onderzochte; en het eindresultaat. We onderscheiden een drietal fasen die losjes gebaseerd zijn op de fasen van exemplarisch handelingsonderzoek, zoals omschreven door Harry Coenen. Zijn thematische -, kristallisatie- en exemplarische fase gebruiken we als basis voor onze metafoor van de lijnvlucht waarin de wijkagent steeds de piloot is, maar de onderzoeker telkens een andere rol speelt.

In de eerste fase is de wijkagent de enthousiaste piloot die zijn passagiers de ins en outs van de reis vertelt. Hij geeft onderweg wat algemene informatie en stipt aan wanneer er langs belangrijke plekken wordt gevlogen. Hij illustreert deze plekken met globale achtergrondinformatie. De onderzoeker is de onwetende passagier die passief luistert en blij is als hij even in de cockpit mag kijken. Hij is vooral bezig met kennis te vergaren van het vakgebied en de thema’s. De onderzoeker krijgt zo een beeld dat te vergelijken is met een vogelvlucht-perspectief.

In de tweede fase is de gesprekspartner van de piloot niet langer te vergelijken met het onwetende publiek, maar met de luchtverkeersleiding. De onderzoeker bezit inmiddels de benodigde basisinformatie over de vlucht en heeft bovendien het overzicht over het luchtruim dat de piloot ontbeert. Doordat ze beide een ander perspectief op de werkelijkheid hebben, vullen ze elkaar aan bij het aanvliegen van een casus. Het top down-perspectief is hier dus complementair aan het perspectief van de piloot.

In de laatste fase krijgt de piloot gezelschap van een co-piloot die hem assisteert in het handelen. De onderzoeker is aanwezig in de cockpit en heeft direct zicht op het handelen. Samen gaan zij lastige situaties te lijf, waarbij de piloot leidend is, maar de co-piloot bijspringt als het nodig is. Beide handelen ze vanuit hetzelfde frontlijn-perspectief, maar de co-piloot heeft een reflecterende taak, waardoor hij met iets meer afstand naar de materie kijkt. Op deze manier vult hij het frontljin-perspectief aan met rust, analyse en distantie.

Los van de metafoor kunnen we de drie fasen karakteriseren als verkenning, diagnose en handelen. Tijdens deze fasen verandert het object van het gesprek, de rolverdeling tussen onderzoeker en onderzochte en het eindresultaat.

1. Verkenning
De eerste vorm van meelopen staat in het teken van het verkennen van het gebied. Dit gebeurt door met de wijkagent de buurt in te gaan: liefst te voet of op de fiets, desnoods met de auto. De wijkagent weet alles van de buurt en de onderzoeker weet praktisch niets. De onderzochte praat en de onderzoeker luistert. De onderzochte laat blijken waar hij zijn kostbare tijd aan besteed en wat zijn aandacht heeft. Hier klinkt een visie op het werkgebied in door. Waar liggen zijn prioriteiten? Wat vindt hij belangrijk? Aan het einde van deze eerste fase wordt de rondtocht afgesloten met het opmaken van de balans. Dit is het eerste moment waarop de onderzoeker zijn luisterende rol inruilt voor een participerende rol. Samen nemen ze de route nog een keer door en trekken ze conclusies over de dominante thema’s in de buurt.

Onderwerp: de buurt als geheel
Onderzochte: geeft voorbeelden van hotspots
Onderzoeker: luistert en verwerkt informatie
 Eindresultaat: overzicht van belangrijkste operationele thema’s in het werkgebied

2. Diagnose
In de tweede fase van het onderzoek trekken onderzoeker en onderzochte er nogmaals samen op uit. Inmiddels is de onderzoeker geen onbeschreven blad meer en verandert de rondgang van een monoloog in een dialoog. Het onderzoekskoppel richt zich op een of twee thema’s en staat ter plekke zowel letterlijk als figuurlijk stil bij de materie. Het vakmanschap van de onderzochte wordt hierdoor verzilverd en de wijkagent deelt zijn kennis van de frontlijn met zijn gesprekspartner. De onderzoeker speelt een rol bij het ontleden van de prominent door middel van doorvragen, duiden en diagnosticeren. Op straat komen veldkennis en analytische kennis samen en ontstaat langzaam een nieuwe ordening van de informatie. Na afloop zet de onderzoeker zijn bevindingen op papier.

Onderwerp: een verzameling symptomen
Onderzochte: praat over zijn handelen
Onderzoeker: vraagt door, duidt, diagnosticeert
Eindresultaat: handelingsplan op basis van actoren en belangen

3. Handelen
De laatste fase is de ultieme vorm van actieonderzoek, omdat hier niet wordt gesproken over een thema of prominent, maar over een (of meerdere) concrete handeling(en). De onderzoeker en onderzochte zijn beide aanwezig tijdens een actie in het kader van de aanpak van de prominent. Dit kan een gepland overleg zijn, een toevallig huisbezoek of een relevant incident. Tijdens de werksituatie is de wijkagent de handelende actor die in contact staat met het publiek en heeft de onderzoeker een observerende rol. Direct na de handeling reflecteren ze samen op de situatie en duiden ze deze door het te koppelen aan de overkoepelende problematiek. Door deze manier van werken meerdere malen te herhalen, ontstaat voor beide een completer beeld van de werkpraktijk. Op basis van dit beeld gaan ze vervolgens samen aan de slag om de aanpak van de problematiek te veranderen. Tenslotte gebruikt de wijkagent de exemplarische inzichten om zijn werkpraktijk blijvend te verbeteren.

Onderwerp: de handeling
 Onderzochte: onderzoekend handelen
 Onderzoeker: handelend onderzoeken
 Eindresultaten: - veranderde aanpak van de problematiek
                              - exemplarische inzichten over werkpraktijk


In de praktijk komt het geregeld voor dat er iemand met de wijkagent komt meelopen. Of het nou een beleidsmedewerker, rechter of journalist is, het zijn altijd mensen die willen ervaren wat het werk van de wijkagent inhoudt. Vervolgens stappen zij als passagier in het vliegtuig en krijgen ze een globaal beeld van de problematiek in de wijk. Ondanks het feit dat deze vorm een stuk meer zegt dan het lezen over of interviewen van de betrokken wijkagent, verkrijgt de meeloper slechts de halve waarheid. Dit heeft bovenal te maken met de grote hoeveelheid stilzwijgende kennis in het repertoire van de wijkagent. Bovendien beschikt de doorgewinterde wijkagent, vanwege het vele meelopen, inmiddels ook over een ingestudeerd promotiepraatje over zijn prachtige baan. Degenen die zichzelf aangetrokken voelen tot actie- of participatief onderzoek doen er dan ook goed aan om meerdere vlieguren in de cockpit te maken.

De Wijkagent Centraal: drie perspectieven

Op basis van de methodiek van het meelopen worden in het praktijkgedeelte zeven casussen gepresenteerd die samen illustratief zijn voor de diverse werkpraktijk van de wijkagent. Het zijn relevante en concrete issues op het gebied van leefbaarheid en veiligheid in een specifieke buurt. Bij de aanpak ervan trokken onderzoekers en wijkagenten samen op om het handelen te beschrijven, ervan te leren en de praktijk te veranderen.

Iedere casus wordt belicht vanuit drie perspectieven die model staan voor de verschillende invalshoeken binnen de politieorganisatie en die bovendien aansluiten bij de drie fases van het meelopen. Het hoofdstuk over de aard van de organisatie biedt de achtergrond van dit perspectief.

Het top down-perspectief biedt de aanblik van een analyse; de hotspot krijgt een context en wordt een complexe casus waarin actoren met specifieke belangen een rol spelen. Dit is het perspectief van een analyticus of academicus. Dit is tevens het beeld dat de onderzoekers kregen, nadat zij enkele keren met de wijkagent waren opgetrokken en de rol van luchtverkeersleiding op zich hadden genomen. Het hoofdstuk over de aard van de vraagstukken biedt de achtergrond van dit perspectief.

Het frontlijn-perspectief biedt de aanblik van de straat; een dynamische praktijk waarin zich alles voor het oog voltrekt, maar waar het overzicht ontbreekt. Dit is het perspectief van de wijkagent; waarmee hij dagelijks dient te handelen. In dit beeld vindt een dialoog plaats tussen wijkagent en onderzoeker welke leidt tot alternatieven voor de gangbare praktijk. De rol die de onderzoeker hier speelt is vergelijkbaar met een co-piloot en exemplarisch voor een coach of actieonderzoeker. Het hoofdstuk over het vakmanschap van de wijkagent en de conclusie bieden de achtergrond van dit perspectief.

Na afloop van deze drie scènes wordt de casus middels een duiding gekoppeld aan het theoretische deel.

De Wijkagent Centraal: methodisch kader

Het object van het onderzoek is ‘het handelen van de wijkagenten binnen de aanpak van de zeven prominente vraagstukken’. Dit handelen vindt plaats binnen een krachtenspel van actoren. En die actoren zijn weer terug te brengen tot vier speelvelden met ieder een eigen taal, specifieke belangen en verschillende verwachtingen. Deze speelvelden komen expliciet terug als ordening van het top down-perspectief en impliciet in de dialoog in het frontlijn-perspectief.


In bovenstaand methodisch kader staat het handelen van de wijkagent binnen een prominente casus, centraal. Dit handelen vindt plaats op het grensvlak van verschillende speelvelden met allemaal hun eigen taal, belangen en verwachtingen. Het eerste veld dat van invloed is op het handelen van de wijkagent is dat van de politieorganisatie zelf, met haar verschillende lagen, prioriteiten, processen en diensten. Het tweede veld is dat van de burger die nooit enkel slim, dom, goedwillend of kwaadwillend is, maar altijd iets daar tussenin. Het derde speelveld is dat van de partners in de buurt en op kantoor die allemaal wel wat in de pap te brokkelen hebben. En als vierde speelveld onderscheiden we het persoonlijk domein, ofwel het vakmanschap, de voorkeuren, krachten en valkuilen. Binnen deze vier speelvelden huizen verschillende actoren die allen van invloed zijn op het handelen van de wijkagent binnen een specifieke casus. Hierbij maken we onderscheid tussen een ‘directe’ en ‘indirecte’ invloed.

1. de eigen organisatie
Het eerste veld dat we onderscheiden is dat van de eigen organisatie. Hierin heeft de wijkagent de specifieke positie van een practitioner met een relatief hoge rang. Daarnaast heeft hij de verantwoordelijkheid voor een specifiek gebied en een brede taakstelling die soms afwijkt van die van de rest van de organisatie. Door zijn middenpositie heeft de wijkagent zowel surveillanten ‘onder’ zich als professionals ‘naast’ zich en teamchefs ‘boven’ zich. Bovendien is hij door zijn vooruitgeschoven positie een belangrijke pion voor processen als ‘intake en service’ (aanspreekpunt, gezicht van de politie) en ‘opsporing’ (bron van informatie). Alle actoren binnen de organisatie spreken een eigen taal, hebben specifieke belangen en daardoor verschillende verwachtingen van het handelen van de wijkagent binnen een casus.

2. de burgers in de buurt
Het tweede veld wordt gevormd door de burgers in de buurt waarin de wijkagent werkt. Dit is een veelkleurig palet van kwaadwillende en goedwillende burgers met alles daar tussenin. Dit zijn psychisch gemankeerde bewoners die enerzijds overlast veroorzaken, maar anderzijds hulp nodig hebben. Of hoogopgeleide burgers die enerzijds het slachtoffer worden van chronische jeugdoverlast, maar tegelijkertijd wel erg goed de weg naar het gemeentehuis vinden. Het is Piet, het is Lodewijk, het is Achmed of Kendrick. Al deze burgers spreken een eigen taal, hebben andere belangen en daardoor verschillende verwachtingen van het handelen van de wijkagent.

3. de partners in de buurt
Het derde veld is dat van de partners op het gebied van leefbaarheid en veiligheid. Hierin is de lokale overheid een logische, maar lastige partner. In de praktijk is dit een gecompliceerd, zeer divers apparaat dat op verschillende manieren op het pad van de wijkagent komt. Van burgemeester tot handhaver; van veiligheidscoördinator tot leerplichtambtenaar. In mindere mate is dit ook het geval wat betreft de woningcorporatie(s) van een buurt, met hun gebiedsmanager op kantoor en hun huismeester in de flat. De derde grote speler is het welzijnswerk dat in grote mate versnipperd is geraakt. Naast de erkende welzijnspartijen zijn er veel nieuwe organisaties met een specifieke doelgroep bij gekomen. Tel hier de winkeliers(vereniging), sportvereniging, projectontwikkelaar, cafébaas en beveiliger bij op en het plaatje is nog steeds incompleet. Al deze partners spreken een andere taal, hebben andere belangen en daardoor verschillende verwachtingen van het handelen van de wijkagent.

4. het persoonlijk domein
Een laatste veld is het persoonlijke domein. Wijkagenten werken vanuit morele en persoonlijke overtuiging; ze zijn niet voor niets ‘diender’ geworden. De mentale belasting door de emotionele betrokkenheid bij schrijnende incidenten en de constante sluimerende gevaarsetting van het werk geven een verhoogd risico op stress en burn out. Het bewaken van de grenzen van werk en privé blijkt in de praktijk niet zelden problematisch. Het persoonlijk domein maken we inzichtelijk door de rol, kracht en valkuil van de wijkagent per casus te benoemen.


Het concept van het ‘speelvelden’ is ontleend aan het begrip ‘veld’ van de socioloog Pierre Bourdieu. Lees hierover meer in het hoofdstuk ‘het vakmanschap van de wijkagent’.

Tot slot: een taaie methode

Uit dit hoofdstuk is gebleken dat action research een bijzondere vorm van onderzoek is die meer beoogt dan alleen wetenschappelijke waarheidsvinding. Het is een combinatie van onderzoeken, leren en veranderen en juist dat maakt de methode zo geschikt voor de politiepraktijk. Tijdens het onderzoek merkten we dat de wijkagenten al vrij snel ‘open’ stonden voor reflectie. Vooral op straat, tijdens en net na het handelen was er ruimte voor vakinhoudelijke discussie en duiding van het gedrag. Door het handelen binnen een concreet veiligheidsvraagstuk als uitgangspunt te nemen en hierin te participeren, konden we het hebben over de wenselijkheid van bepaalde keuzes en boden we niet zelden het overzicht in de wirwar van actoren. Deze concrete vorm van reflectie en leren bleek prima aan te sluiten bij de doelgroep van vakmannen die hun kennis vooral tonen in hun acties. Op deze manier is actieonderzoek niet alleen geschikt als wetenschappelijke methode, maar ook als strategie om het versterken van vakmanschap in de politieorganisatie mogelijk te maken.​
Aanleiding en overview

Het credo ‘De Wijkagent Centraal’ is vastgelegd in de nieuwe politiewet als centraal uitgangspunt van de nationale politie. In de praktijk blijkt de positionering van de wijkagent echter uiterst taaie materie. Dit actieonderzoek geeft inzicht in de weerbarstige werkpraktijk van de wijkagent en biedt inzichten die nodig zijn om het uitgangspunt een concrete invulling te geven.
 
​Essays

Gedurende de looptijd van het actieonderzoek schreef auteur Teun Meurs een aantal artikelen in Het Tijdschrift voor Politie. Deze zijn hieronder te vinden.

Tussen ratio en fingerspitzengefühl

Het geheim van Jan Smit

Makers

De website ‘De Wijkagent Centraal’ is gemaakt door de onderzoekers Teun Meurs en Bert Jan Kreulen samen met vormgever Martijn Rijven van Bolt Graphics.

Teun Meurs

Bert Jan Kreulen

Martijn Rijven

​Nieuws

In de september-editie van het digitale magazine KENNISM@G van de Politieacademie verschenen twee artikelen over 'De Wijkagent Centraal'.

Lees hier en hier over een mooie koppeling tussen onderzoek, onderwijs en praktijk.