Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud
Bij een onderzoek naar het handelen van de wijkagent, hoort een handelingstheorie. Dit is niets meer en niets minder dan een onderbouwd antwoord op de vragen: Wat is de drijvende kracht van de wijkagent? en Wat is de motor van zijn handelen? Ons korte antwoord - ‘vakmanschap’ - is gemakkelijk gegeven. Het lange antwoord verkrijgen we door het modewoord ‘vakmanschap’ meer invulling te geven vanuit sociologische en filosofische theorie. Niet met het doel een wetenschappelijke waarheid te vinden, maar om inzicht te verkrijgen in de manier waarop de wijkagent in zijn werk staat. Op welke vlakken excelleert hij, maar waar bereikt hij zijn grenzen? Hoe duidt hij de wereld om zich heen en wat is de rol van kennis en informatie? Pas als dit beeld duidelijk is, wordt het mogelijk om de wijkagent op de juiste wijze te positioneren in de organisatie. Dan kunnen we zaken als leidinggeven, coachen, bevragen en opleiden op zo’n manier vormgeven dat ‘De Wijkagent Centraal’ geen nobel streven, maar een reële, operationele praktijk wordt.

Dit hoofdstuk begint met het dominante beeld van de wijkagent in de buitenwereld als personificatie van het Nederlandse politiemodel. Vervolgens zoomen we in op het vakmanschap dat hierbij een belangrijke rol speelt. We behandelen eerst de hernieuwde aandacht voor dit thema, aan de hand van Jan Nap, Richard Sennett en Gabriël van den Brink; om vervolgens een eigen visie op vakmanschap te ontwikkelen, geïnspireerd op de inzichten van Pierre Bourdieu en Michael Polanyi. Tot slot koppelen we deze visie aan het takenpakket van de wijkagent om zo zijn functioneren te beschrijven en verklaren.

De wijkagent in de buitenwereld

De wijkagent is een sterk merk. Er is bijvoorbeeld geen politieke partij te vinden die ‘tegen’ de wijkagent is. De linkse partijen zien hem als verpersoonlijking van de polderpolitieman: een toegankelijke, inhoudsdeskundige agent die aardig is als het kan, maar streng als het moet. Voor de rechtse partijen is de wijkagent de belichaming van ‘meer blauw op straat’. Managers en beleidsmakers zijn er genoeg; de mensen in de wijken hebben meer aan een agent die er voor hen is om de lokale problemen op te lossen. De wijkagent heeft voor de buitenwacht duidelijk het imago van softe koffiedrinker of veredelde welzijnswerker van zich afgeschud. Hij is zoals we de Nederlandse politie graag zien: ‘een zelfbewuste diender die de kneepjes van het vak beheerst en losjes wandelt over de grenzen van professionele ruimte en discretionaire bevoegdheid; gesteund door een onberispelijk moreel kompas en een grote mate van vakkennis’ (definitie uit: Het geheim van Jan Smit).

Vakmanschap als ideaal

Vakmanschap in relatie tot het politiewerk heeft de laatste jaren hernieuwde aandacht gekregen. Een van de drijvende krachten achter deze beweging is onderzoeker Jan Nap, die de term ‘blauw vakmanschap’ bedacht en centraal stelde in de publicatie Werken aan Blauw Vakmanschap. Ook Naps proefschrift dat daarop volgde, borduurt verder op dit concept. Naps beginpunt is dat van de praktijk, waarin hij het vak, de professie centraal stelt. Hij richt zich niet op samenlevingstheorieën, maar op het kleine: ‘het verheffen van het alledaagse’. Blauw vakmanschap speelt zich af in de dagelijkse uitvoering en ‘gaat over het bevorderen van leren in de praktijk’. Grote delen van zijn proefschrift zijn gewijd aan de zoektocht hoe dit praktijkleren van agenten gerealiseerd kan worden. Hierbij positioneert hij ‘blauw vakmanschap’ als gewenste vorm van politiewerk: mensgericht en probleemgericht; snel, adequaat en deugdelijk; gevraagd en ongevraagd.

In de visie van Nap is politiewerk sterk moreel gemotiveerd. Agenten zijn geen dienders van de wet, maar ‘professionals die beroepshalve moeten moraliseren in de front line van het samenleven’. De nadruk ligt bij Nap op de agent als morele actor die uit overtuiging handelt om ‘het goede’ te doen. Vakmanschap is bij Nap een normatief fenomeen, een nastrevenswaardig ideaal dat in het praktisch handelen van iedere agent zou moeten doorklinken. In Naps visie moet ‘normatieve professionalisering’ een vast onderdeel worden van het werkproces op de basisteams van politie. Dit houdt in dat het dagelijks handelen van dienders in de vorm van een debriefing onderwerp van gesprek wordt, met de kernmerken van ‘blauw vakmanschap’ in het achterhoofd. Op deze wijze leren dienders ‘over hun eigen schouders meekijken’ en te reflecteren op hun handelen in de praktijk van straat en buurt. Interview met Nap


Jan Nap verwijst in zijn proefschrift een aantal keren naar de Amerikaanse socioloog Richard Sennett die in 2008 een lijvig boekwerk, getiteld The Craftsman, publieerde. Sennett pleit hierin voor een herwaardering van zowel vakmanschap als de vakman. Vakmanschap is in de woorden van Sennett ‘the skill of making things well, for its own sake’. Sennett legt dus, net als Nap, de nadruk op de persoonlijke overtuiging van de vakman om ‘het goede’ te doen. Vervolgens bestrijdt hij dat vakmanschap slechts geschikt is voor de traditionele ambachten of handenarbeid. Ook in de maatschappelijke sector ziet hij het concept als een aantrekkelijk en nastrevenswaardig doel voor individuele professionals. Het verkrijgen van vakmanschap betekent volgens Sennett niet alleen een voortdurende samenwerking tussen lichaam (met een focus op de hand) en geest (het hoofd), maar impliceert ook een dialoog met het materiaal. Dit vereist volgens Sennett oprechte interesse in het object, maar ook een persoonlijke overtuiging en een flinke dosis doorzettingsvermogen. Talent is volgens hem van secundair belang; bijna iedereen heeft het in zich om een ‘good craftsman’ te worden in plaats van een simpele uitvoerder.

Ongeveer halverwege zijn boek benoemt Sennett een voorbeeld waaruit blijkt wat een ‘goede’ vakman maakt. Hij vergelijkt daarvoor een huis, gebouwd door architect Adolf Loos, met een vergelijkbaar huis van filosoof Ludwig Wittgenstein. Architect Loos ging pragmatisch om met zijn eerste schetsen; hij vond slimme oplossingen voor teleurstellingen en hij deed individuele concessies die het geheel ten goede kwamen. De denker Wittgenstein probeerde volmaakt gebouw neer te zetten, waarbij geld geen rol speelde en alles moest kloppen. Volgens Sennett staat Loos’ Vila Moler daardoor te boek als een staaltje vakmanschap, terwijl het Wittgenstein House ook door de bouwer en naamgever zelf, werd beschouwd als mislukking.

Sennett reserveert vervolgens een compleet hoofdstuk voor het voornaamste gereedschap van de vakman: de hand. Hij benoemt de manier waarop we oog-hand coördinatie gebruiken voor concentratie. Hij beschrijft het samenspel tussen onderarm, pols en hand om gecontroleerde kracht uit te oefenen. En hij wijst op de wijze waarop onze twee duimen samenwerken en op de subtiele werking van onze vingertoppen voor het genereren van grip. Concentratie, controle, samenwerking en grip zijn begrippen die je figuurlijk kunt opvatten, maar volgens Sennett vinden ze hun oorsprong in de fysieke werking van de hand. Uitvoerders die, door eindeloze oefening met zijn materiaal, deze elementen beheerst, kunnen we ‘good craftsmen’ noemen.


Daar waar Sennett spreekt over ‘good craftsmen’, benoemen Gabriël van den Brink en collega’s zelfs de overtreffende trap in hun publicatie Best Persons. Dit boek leest ten eerste als een pleidooi voor meer aandacht voor de mensen in de uitvoering in plaats van een focus op het domein van beleid en bestuur. Ten tweede probeert de publicatie te achterhalen wat het ‘geheim’ is van die maatschappelijke practitioners die zich weten te onderscheiden van mainstream professionals en daardoor het verschil maken in de publieke sector. Hoewel de auteurs onderkennen dat er geen magische eigenschap is die het succes van best persons bepaalt, trachten ze wel een aantal bepalende kenmerken te benoemen. Zo onderscheiden ze: durf en ondernemerschap, buiten de lijntjes durven kleuren, informeel leiderschap, betrokkenheid, inlevingsvermogen, verbindend en persoonlijke drive. Vervolgens worden deze kenmerken teruggebracht tot twee kernelementen: ondernemerschap en betrokkenheid. Practitioners die deze elementen succesvol weten te combineren, zijn volgens de auteurs degenen die excelleren in het maatschappelijk veld.

De schrijvers werken de auteurs op basis van de geschetste factoren een viertal categorieën van best persons uit.

Ten eerste onderscheiden ze de alledaagse doener. Dit is in de regel een bevlogen burger, met lijntjes in zowel leefwereld als systeemwereld. Liefst haalt deze alledaagse doener resultaten buiten de gangbare weg van bestaande trajecten. Hij manoeuvreert slim tussen wisselende betrokkenen en stelt te allen tijde het einddoel centraal.

Ten tweede benoemen de auteurs de frontliniewerker. Deze is juist wel vanuit zijn functie betrokken bij maatschappelijke problematiek. De frontliniewerker koppelt zijn formele legitimatie aan empathisch vermogen en is succesvol door zich te richten op zichtbare, snelle resultaten.

Ten derde fungeert de sociale ondernemer als voorloper in de buurt door met een winkeltje, stichting of maatschappelijk initiatief zaken voor elkaar te boksen. Dit zijn vaak zelf bewoners van de wijk, maar ze zijn vanuit hun ondernemerschap betrokken, waardoor ze op de grens van leef- en systeemwereld staan.

Ten vierde is er de bruggenbouwer die voortdurend de nadruk op ‘samen’ legt, vaak vanuit een formele functie binnen gemeente of corporatie. De bruggenbouwer is eigenlijk de ideale ambtenaar, eentje die zichzelf wegcijfert en de juiste mensen van verschillende werelden bij elkaar brengt.

De conclusies en aanbevelingen van de auteurs laten zich vervolgens raden. Spoor deze maatschappelijke helden op, breng ze in positie, bescherm ze en laat ze hun werk doen. Daar kan geen taakomschrijving, integrale samenwerking of best practice tegenop.


De studies van Nap, Sennett en Van den Brink hebben verschillende uitgangspunten en uitkomsten. Nap presenteert zijn ‘blauw vakmanschap’ als een toetssteen voor goed politiewerk dat in de weerbarstige praktijk van de uitvoering maar moeilijk tot stand komt. Sennett ziet in vakmanschap juist een haalbaar doel als er maar veel en met oprechte interesse wordt geoefend. Van den Brink tenslotte concludeert dat effectief maatschappelijk improviseren een combinatie is van een aantal bepalende kernkwaliteiten. Ondanks deze verschillen, benaderen alle auteurs vakmanschap als een vorm van meesterschap; als een te realiseren vaardigheid om vervolgens succes te kunnen boeken. Daarbij is het verschil tussen pottenbakken en het neutraliseren van een notoire overlastgever irrelevant.

Vakmanschap als drijvende kracht

De hiervoor behandelde visies focussen zich net als wij, op het individuele handelen van professionals, en niet op samenwerkingsmodellen of best practices. Deze nadruk op het vakmanschap van practitioners is een gezamenlijke voedingsbodem. Echter, de drie visies benaderen vakmanschap ook als een normatief en moreel geladen fenomeen: van deugdelijk politiewerk, via good craftsmanship naar best persons. Ons onderzoek richtte zich niet op vakmanschap als hoger goed of ultiem doel, maar als een hands on middel van practitioners. We observeerden vakmanschap als een modus operandi met voors en tegens in plaats van een smetteloos, waardegestuurd ideaal. Vakmanschap is in onze ogen de voornaamste motor van het handelen van de wijkagent. En deze staat afgesteld op een specifiek onderdeel van de werkeljkheid: de dynamische aard van de frontlijn. Hieronder onderbouwen we deze visie met behulp van de visies van socioloog Pierre Bourdieu en wetenschapsfilosoof Michael Polanyi.

In deze visie is een belangrijke rol is weggelegd voor het perspectief van waaruit de praktijk wordt beleefd. Een wijkagent gaat een probleem te lijf te midden van de dynamische actoren in het veld. Hij wordt op straat benaderd met vragen, van zowel relevante als minder relevante spelers. Hij krijgt te maken met incidenten die gerelateerd zijn aan de problematiek, of juist niet. Maar hij wordt altijd geacht te reageren op het moment zelf. Door deze positie midden in de buurt, staat zijn modus operandi in het teken van reageren en acteren. Met andere woorden: het frontlijn-perspectief dwingt hem op een andere manier in zijn werk te staan, dan het top down-perspectief van de analyticus of het vogelvlucht-perspectief van de informatiespecialist. Vanuit deze gedachte heeft vakmanschap in eerste instantie meer weg van een overlevingsstrategie dan van een ultieme beheersing van een vaardigheid.


Volgens de Franse socioloog Pierre Bourdieu zijn overleven en excelleren in een sociale omgeving twee kanten van dezelfde medaille. Hij ziet sociaal gedrag als een voortdurende aanpassing aan de kenmerken van een specifieke sociale omgeving (een ‘veld’), doordat iemands habitus er steeds beter op raakt ingespeeld. Bourdieus kernconcept habitus is het beste voor te stellen als een rugzak die mensen vanaf hun geboorte bij zich dragen. Deze rugzak bevat zowel aangeboren eigenschappen (zoals: afkomst, sekse en persoonlijkheid) als aangeleerde kennis (zoals: opvoeding en opleiding), zodat er van jongs af aan een voorkeur bestaat voor specifieke velden. Door de confrontatie met de praktijk verkrijgt een actor steeds meer kennis (zoals: gewenst taalgebruik, inzicht in ongeschreven regels) om in een veld te overleven. Naarmate de tijd vordert raakt de rugzak steeds verder gevuld met handzame instrumenten om te excelleren. Dit betekent dat een sociale actor ‘thuis’ raakt in zijn veld en niet alleen geruisloos weet te functioneren, maar ook problemen kan oplossen, schijnbaar zonder na te denken. Praktische voorbeelden hiervan zijn de slimme conciërge met zijn rammelende sleutelbos en de handige klusser met de juiste spullen in zijn overvolle zakken. Doordat ze perfect zijn ingespeeld op hun omgeving, hebben ze voor elk vraagstuk dat op hun pad komt, direct een oplossing.

De habitus is volgens Bourdieu herkenbaar als karakteristiek handelen in de praktijk. Zoals de ‘sense of the game’ van een sporter, de ‘stijl’ van een muzikant, de ‘handtekening’ van een schilder, of ‘het vakmanschap’ van een wijkagent. Dit zijn de uitingsvormen van habitus die ervoor zorgt dat een actor ingespeeld is op zijn omgeving.

De keerzijde is echter dat er ook velden zijn waarin iemand zich juist niet thuis voelt. Bourdieu had hier zelf last van toen hij ging studeren op de Franse universiteit. Zijn eenvoudige komaf maakte dat hij niet het gewenste jargon sprak, niet van de geijkte muziek hield en niet de juiste poëzie las. In zijn eigen termen: Bourdieu miste het sociaal en cultureel kapitaal dat nodig was om zich staande te houden in de academische wereld. Met als gevolg dat hij zich ongemakkelijk, ongewenst en altijd een buitenstaander zou blijven voelen. Bourdieu benoemt hiermee het normatieve aspect van velden: gewenst gedrag wordt bevestigd, maar afwijkend gedrag wordt geweerd. Met als gevolg dat de ongeschreven regels van het veld verder versterkt worden en buitenstaanders moeilijk hun plek vinden.

Stel je een bouwvakker in een sterrenrestaurant voor die onwennig reageert op de ober die zijn jas wil aannemen. Of de bestuursvoorzitter van een bouwbedrijf die tijdens een werkbezoek maar moeilijk om kan gaan met de naaktposters in de keet. En, tot slot, de wijkagent die op het gemeentehuis ongeduldig zit te draaien op zijn stoel, en vervolgens met een irrelevante anekdote het overleg frustreert.


De wijkagent voelt zich doorgaans als een vis in het water in zijn buurt. In Bourdieus termen: de habitus van de wijkagent is goed afgestemd op de kenmerken van dat veld. In onze termen: het vakmanschap van de wijkagent is een perfect kompas om succesvol te opereren in de dynamiek van de frontlijn. Als vanzelfsprekend gaat hij de confrontatie aan met een veelpleger, kiest hij positie binnen een burenruzie en voelt hij aan dat een situatie weldra gaat escaleren. Kortom, het veld van de weerbarstige frontlijn is bekend terrein voor de wijkagent; sterker nog, mits goed gefaciliteerd door zijn organisatie zal hij hier excelleren als een best person door te vertrouwen op zijn vakmanschap.

Vakmanschap als stille kracht

Michael Polanyi schreef in 1966 het boekje The Tacit Dimension waarin hij het concept tacit knowledge introduceert. Dit betreft een belangrijk, stilzwijgende vorm van kennis die een grote rol speelt in ons handelen. Een bekend voorbeeld van de werking ervan komt van bestuurskundige Hans de Bruijn. Een Duitser, zo stelt hij, maakt dagelijks naadloos gebruik van de grammaticaregels van zijn moedertaal. Maar als hij gevraagd wordt wanneer de derde naamval gebruikt moet worden, zal hij het rijtje ‘mit, noch, bei, seit’ niet kunnen opdreunen. De kennis van naamvallen is dus weliswaar stilzwijgend van aard, maar speelt tegelijkertijd een beslissende rol bij de formulering van een juiste zin. Volgens Polanyi maken we, tijdens specifieke activiteiten, voortdurend gebruik van tacit knowledge doordat we er op vertrouwen, zonder er op gefocust te zijn. Polanyi’s meest geciteerde zin is dan ook: ‘We know more than we can tell’.

Echter, hoe aansprekend deze slogan ook moge klinken, hij heeft ook geleid tot simplificatie en misbegrip van het concept. De ‘enge’ lezing is sinds de jaren negentig gepropageerd door de managementgoeroes Nonaka en Takeuchi. Tacit knowledge is volgens hen een belangrijke vorm van kennis van medewerkers die vaak verborgen blijft voor het bedrijf. Ze presenteren tacit knowledge als het onontdekte broertje van expliciete kennis dat ligt te wachten op de juiste methode om vertaald te worden. Nonaka en Takeuchi pleiten voor het organiseren van specifieke sessies, zoals een community of practice, om de verborgen kennis boven water te krijgen. Op deze manier profiteert een bedrijf ten volle van de praktische kennis van haar medewerkers en wordt zij een ‘Knowledge Creating Company’.

De Griekse organisatiekundige Haridimos Tsoukas stelt dat deze lezing niet aansluit bij de oorspronkelijke visie van Polanyi. Volgens Tsoukas heeft tacit knowledge ten eerste een fundamenteel andere structuur dan expliciete kennis. Ten tweede blijft tacit knowledge altijd diffuus, doordat ze niet los te zien is van het handelen in een sociale context. Tsoukas is dan ook van mening dat een community of practice slechts dat deel expliciteert dat zich laat vertalen. De essentie van de kennis blijft echter in het handelen, in de persoon en in de context verborgen.


Tacit knowledge is lastig te vatten of bloot te leggen. Sterker nog, het expliciteren kan ook contraproductief werken. Polanyi wijst meerdere malen op het feit dat het onbewuste en ondoelmatige karakter juist maakt dat het zo goed werkt. Hij gebruikt het voorbeeld van een operatie om dit te illustreren. Een chirurg is tijdens het hanteren van een scalpel niet gericht op de vingers die het instrument vasthouden, maar op het uiteinde van de scalpel. Hij veronderstelt dat zijn grip de juiste is, zodat hij zijn aandacht kan richten op het nauwkeurig manoeuvreren met het uiteinde van de scalpel. Hij heeft waarschijnlijk zelfs het gevoel alsof hij de patiënt met zijn eigen vingertoppen behandelt; de scalpel is als het ware onderdeel van zijn lijf geworden. Indien de chirurg plots zijn aandacht verplaatst naar de wijze waarop hij de scalpel vast heeft, zou doet dit de operatie ongetwijfeld geen goed doen. Kortom, deze praktijk ‘werkt’, zolang we onze bewuste aandacht richten op de taak die we moeten volbrengen en niet op de tacit knowledge die we daarbij stilzwijgend toepassen.

Vakmanschap en kennis

Het beeld van vakmanschap dat uit de theorieën van Bourdieu en Polanyi naar voren komt is dat van een praktisch beheersing die niet gefundeerd is in theorie. Bovendien manifesteert dit zich slechts zijdelings, in een vertrouwde, sociale omgeving. Deze invulling lijkt te botsen met de wijkagent als de expliciete kennisdrager die die simpel vertaald kan worden naar een sheet op de briefing of een werkverzoek. Kenmerkend voor het vogelvlucht-perspectief is het uitgangspunt dat de wijkagent zijn kennis deelt met de organisatie, zodat deze hierop kan acteren. Uit bovenstaande analyse blijkt echter dat kennis van het veld (veldkennis) en kennis van het vak (vakkennis) niet zo eenvoudig te scheiden zijn. Volgens Bourdieu zijn habitus en veld innig met elkaar verbonden en ook Polanyi heeft het over kennis die onderdeel van de omgeving is.

In onze visie zijn vakkennis en veldkennis te beschouwen als niet individueel waar te nemen ingrediënten van vakmanschap; ze zijn innig met elkaar verbonden. Dit vakmanschap heeft volgens ons vier kenmerken die we hieronder uiteenzetten. Het eerste element is het impliciete karakter van vakmanschap dat maakt dat een vakman vaak ‘onbewust bekwaam’ is. Ten tweede is vakmanschap praktijkgeladen, wat betekent dat het niet los te zien is van de praktijk waarin het wordt toegepast. Ten derde is vakmanschap niet geordend volgens principes van de logica, oftewel het is gefragmenteerd. Tot slot is het niet los te zien van de persoon die het bezit, oftewel vakmanschap is subjectief.

De vakman die handelt, past daarbij een groot aantal inzichten en theorieën toe, zonder zich daarvan bewust van te zijn. Vakmanschap is dus ‘stilzwijgend’ in haar gebruik en wordt impliciet verondersteld, in plaats van expliciet toegepast. Het is ook niet altijd mogelijk de persoon hierop te bevragen, aangezien deze vaak niet ‘weet wat hij weet’. Er is dus geen sprake van een expliciete, weloverwogen keuze tussen handelingsalternatieven, maar een toepassing on the go die past bij de situatie waarin een vakman verkeert.

Het tweede aspect herbergt misschien wel het meest fundamentele aspect. Vakmanschap is niet los te zien van de praktijk waarin zij wordt gebruikt. De kennis is onderdeel van het gereedschap dat wordt gebruikt en wordt mede bepaald door de context waarin zij wordt toegepast. Hierdoor ligt de werkelijke kennis in de handelingen van de frontlijner besloten. In tegenstelling tot expliciet cognitieve kennis is het daarom onmogelijk om tacit knowledge te abstraheren of te isoleren, omdat juist de inbedding in de praktijk de wezenlijke betekenis ervan bepaalt.

Het derde element is hier het logisch gevolg van. De inherente koppeling met de praktijk van handelingen, maakt dat de kennis niet geordend is volgens de principes van de logica. De structuur van deze kennis lijkt gefragmenteerd, chaotisch of anekdotisch. Vanuit een rationele behoefte tot ordening is dit verwarrend, maar vanuit het frontlijn-perspectief is dit te verklaren. Er is geen sprake van een logische maar een chronologische ordening die aansluit bij de route door de wijk of de volgorde waarop de vakman de kennis opdeed. Deze vorm van vakmanschap laat zich dus niet kennen op het bureau, maar in de praktijk van het handelen op straat.

Het laatste element betreft de subjectiviteit van vakmanschap. Het betreft geen kennis die door uitleg kan worden overgedragen van hoofd tot hoofd. Er is sprake van kennis die door de persoon letterlijk ‘eigen’ is gemaakt. Het objectiveren van deze kennis is dan ook onmogelijk. Een agent voelt aan wanneer hij op zijn hoede moet zijn en houdt onbewust zijn handen paraat om in te grijpen (in plaats van op elkaar of op de rug). Het vakmanschap zit hem in de razendsnelle inschatting van de kansen en risico’s van het handelen, maar deze afweging laat zich niet expliciteren. Rechercheurs verwijzen naar dit element als ze het hebben over ‘0+0=1’, oftewel een optelling van schijnbaar betekenisloze gedragingen die tezamen een duidelijk signaal vormen dat iets niet in de haak is.


Uit het bovenstaande blijkt dat vakmanschap het beste te beschouwen is als iets dat je in de vingers hebt en niet in het hoofd. De basisbeginselen van gebiedsgebonden politiewerk moet je ‘aanvoelen’ in plaats van ‘rationeel overwegen’. Het zijn geen cognitieve taken maar geïnternaliseerde routines die grotendeels onbewust worden toegepast in het handelen. Deze manier van handelen heeft te maken met het frontlijnperspectief waarin de wijkagent dagelijks actief is. De praktijk van straat en buurt dwingt hem in te spelen op de gebeurtenissen in plaats van ze te overdenken. Hij heeft hij een ‘fingerspitzengefühl’ ontwikkelt als motor van zijn handelen die is afgesteld op de de dynamiek van de buurt. En in dat handelen zit kennis over die buurt versleuteld; deze heeft niet de vorm heeft van een uitgekristalliseerde visie, maar is letterlijk hands on.

Een essay over de vraag waar vakmanschap zit en hoe het werkt, is elders op de website te vinden.

De grenzen van vakmanschap

In onze visie sluit het vakmanschap van de wijkagent optimaal aan bij het aspect van gebiedsgebonden politiewerk dat ook wel community partnership wordt genoemd. Dit is de wijkagent als ‘dichtbijpolitieman’ die een laagdrempelig aanspreekpunt vormt voor de burgers en partners in een wijk en door deze korte lijntjes veel problemen in de kiem smoort. Vanuit dit frontlijn-perspectief is het echter lastiger om invulling te geven aan het tweede aspect van gebiedsgebonden politiewerk, genaamd problem solving. Zeker gezien het feit dat de lokale vraagstukken in de buurt de laatste jaren een stuk complexer zijn geworden. Het frontlijn-perspectief helpt de wijkagent in de buurt bij het zien van allerlei relevante actoren, maar beperkt hem tegelijkertijd bij het overzien van een ingewikkelde casus. De taak problem solving vraagt, naast vakmanschap, om rust, overzicht en analyse die in zowel het frontlijn-perspectief als het vogelvlucht-perspectief veelal ontbreken.

In de literatuur over community policing heerst geen consensus over de hoeveelheid en inhoud van de definiërende elementen van het concept. Criminoloog Jan Terpstra benoemt vijf elementen in zijn boek De wijkagent en zijn dagelijks werk. Hij onderscheidt decentralisatie, brede taakstelling, preventie, samenwerking met partners en interactie met burgers. Collega-onderzoeker Wesley Skogan houdt het op drie uitgangspunten: decentralisatie, burgerbetrokkenheid en probleemgerichtheid, terwijl het Amerikaanse Bureau of Justice Assistance spreekt over twee kerncomponenten: community partnership en problem solving. Wij hebben er voor gekozen om deze tweedeling over te nemen, omdat ze de uiteinden van het gebiedsgebonden politiewerk illustreren. Bovendien appelleren ze aan verschillende werkwijzen, verschillende benaderingen van dezelfde context.

In zijn hoofdstuk over de hand benoemt ook Sennett dit verschil in benadering door het onderscheid te maken tussen prehension (grip krijgen) enerzijds en apprehension (begrijpen) anderzijds. Vakmannen gebruiken prehension om de wereld betekenis te geven: ‘Het is de vaardigheid al doende in te spelen op het onvoorziene, en het soms weerbarstige materiaal waarmee de professional wordt geconfronteerd.’ Een wijkagent zal zijn wijk vanuit het frontlijn-perspectief al doende proberen te ‘doorleven’, terwijl een analyticus tracht deze vanuit een top down perspectief allereerst tracht te ‘doorgronden’.

Eerder benoemden we dat vakmanschap in de vingers zit en cognitieve analyse vooral voorbehouden is aan het hoofd. Dit onderscheid sluit aan bij Sennetts tweedeling. In onze visie zijn doorleven, prehension en de taak community partnership geknipt voor een vakman, de taak problem solving vereist de aanvulling van de andere genoemde strategieën.


In dit hoofstuk hebben we een visie op vakmanschap gepresenteerd die is geïnspireerd op de visies van Nap, Sennett en Van den Brink. Door de koppeling aan het frontlijn-perspectief en de theorieën van Bourdieu en Polanyi ontstaat geen ideaal, maar een realistisch beeld van de kracht en de grenzen van het vakmanschap. Dit is in onze ogen een practical sense die uitermate geschikt is om overeind te blijven in de dynamische frontlijn, maar niet afdoende is in de context van hardnekkige vraagstukken. Aangezien de aard van de organisatie momenteel niet leidt tot de gewenste ondersteuning op dit belangrijke onderdeel van gebiedsgebonden politiezorg is een concrete invulling van het uitgangspunt ‘De Wijkagent Centraal’ hard nodig. In de conclusie geven we hiervoor een voorzet, waarbij de methode van actieonderzoek als inspiratiebron dient.
Aanleiding en overview

Het credo ‘De Wijkagent Centraal’ is vastgelegd in de nieuwe politiewet als centraal uitgangspunt van de nationale politie. In de praktijk blijkt de positionering van de wijkagent echter uiterst taaie materie. Dit actieonderzoek geeft inzicht in de weerbarstige werkpraktijk van de wijkagent en biedt inzichten die nodig zijn om het uitgangspunt een concrete invulling te geven.
 
​Essays

Gedurende de looptijd van het actieonderzoek schreef auteur Teun Meurs een aantal artikelen in Het Tijdschrift voor Politie. Deze zijn hieronder te vinden.

Tussen ratio en fingerspitzengefühl

Het geheim van Jan Smit

Makers

De website ‘De Wijkagent Centraal’ is gemaakt door de onderzoekers Teun Meurs en Bert Jan Kreulen samen met vormgever Martijn Rijven van Bolt Graphics.

Teun Meurs

Bert Jan Kreulen

Martijn Rijven

​Nieuws

In de september-editie van het digitale magazine KENNISM@G van de Politieacademie verschenen twee artikelen over 'De Wijkagent Centraal'.

Lees hier en hier over een mooie koppeling tussen onderzoek, onderwijs en praktijk.